De maandelijkse Erfgoedwandeling trok zondag door de vallei van de Molse Nete in Kattenbos. Tijdens een tocht van ongeveer vijf kilometer liet gids Ferdi Geerts zien hoeveel geschiedenis er in het landschap verscholen zit. Oude wegen, prehistorische kampplaatsen, middeleeuwse landbouw en de Leyssensmolen vertelden samen een verhaal dat duizenden jaren overspande. (Foto's Lieve De Bleser)
De wandeling vertrok aan Taverne De Vijf Linden en trok een 25-tal geïnteresseerden aan. Langs de Zandstraat (foto 1 onder) zette Ferdi Geerts de deelnemers meteen op een historische hoofdweg. Vandaag lijkt het misschien een gewone straat, maar eeuwenlang vormde ze een belangrijke verbinding door Kattenbos. De weg naar Leopoldsburg kwam er pas veel later en werd kort voor de Eerste Wereldoorlog verhard.
Aan weerszijden van de Zandstraat lagen vroeger bermen en wallen met hakhout. Om de zeven of acht jaar werd dat hout gekapt en gebruikt voor onder meer weidepalen, gereedschap, kleine herstellingen en brandhout. Ook oude plaatsnamen bewaren een stukje plaatselijke geschiedenis. Zo verwijst de naam Muisberg volgens Geerts niet naar een opvallende hoogte, maar naar een familie die er lange tijd woonde en landbouw bedreef.
Een volgende halte was de Leyssensmolen. Die staat vandaag opvallend laag in het landschap, terwijl een windmolen normaal juist op een hoge en open plek werd gebouwd om zoveel mogelijk wind te vangen. Dat heeft alles te maken met de vele verhuizingen die de molen achter de rug heeft.
De staakmolen werd in 1797 in Olmen gebouwd en enkele jaren later verkocht aan de Lommelaar Peter Cuypers. Hij liet hem afbreken en naar Lommel overbrengen. Vanaf 1809 stond de molen vlak bij het centrum, op de hoek van de Frans Van Hamstraat en de Vreyshorring. Tussen 1860 en 1905 was hij eigendom van de familie Leyssen, waaraan hij zijn huidige naam dankt.
De stad kocht de molen in 1960. Vier jaar later verhuisde hij naar de weg richting Leopoldsburg, echter zonder maalinrichting. In 1988 werd de molen maalvaardig gerestaureerd. De bosrijke omgeving rond de molen belemmerde echter de goede werking van de molen. In 2012 en 2013 kreeg de Leyssensmolen zijn huidige plaats in Kattenbos. Daar staat hij voldoende vrij om wind te vangen en wordt de houten constructie geregeld gecontroleerd en onderhouden.
Onderweg ging het niet alleen over de menselijke geschiedenis, maar ook over het ontstaan van het landschap. Ferdi Geerts nam de wandelaars daarvoor ongeveer een miljoen jaar mee terug in de tijd. Rivieren als de Maas en de Rijn brachten toen grote hoeveelheden grind en zand mee.
Het grovere Lommelzand wordt vooral in de bouw gebruikt. Het fijnere Molzand is veel ouder en ontstond in een periode waarin de zee nog dichterbij lag. Dat zand wordt na het wassen en zuiveren onder meer gebruikt door de glasindustrie. De vallei van de Molse Nete kreeg haar vorm tijdens de laatste ijstijd. De beek zoals we die vandaag kennen, werd later - vermoedelijk in de late Middeleeuwen - grotendeels door mensen gegraven om het water sneller uit de laaggelegen akkers en hooilanden af te voeren.
De overgang tussen hoger en lager terrein maakte Kattenbos al heel vroeg aantrekkelijk voor mensen. Ongeveer 14.000 jaar geleden sloegen jagers-verzamelaars er hun kamp op. Op de hoger gelegen delen hielden ze de voeten droog, terwijl water, planten en dieren vlakbij te vinden waren.
Bij de voorbereidende werken voor de bouw van de fabriek van Ciner Glass werd een uitzonderlijk goed bewaard steentijdlandschap ontdekt. De daaropvolgende opgravingen duurden drie jaar. Op een terrein van ongeveer één hectare vonden archeologen talrijke sporen van kampplaatsen van jagers-verzamelaars. De oude bodem was kort na hun verblijf onder een dikke laag zand verdwenen. Daardoor bleven de voorwerpen grotendeels liggen zoals de bewoners ze hadden achtergelaten. Archeologen onderzochten de grond vakje per vakje en noteerden van ieder werktuig de precieze plaats en diepte.
Ze vonden onder meer pijlpunten, schrabbers, kookstenen, verbrande botresten en rode oker. Met microscopisch onderzoek kan zelfs worden nagegaan of een werktuig werd gebruikt voor het bewerken van hout, huiden of plantenvezels. Ferdi Geerts omschreef de vindplaats als een soort Pompeï van de steentijd. Door de goed bewaarde bodem en de vele kampementen is ze volgens hem vrijwel uniek in Noordwest-Europa.
Nog een bijzondere ontdekking werd gedaan bij de aanleg van een aardgasleiding dwars door de heide. Op een kampplaats uit de middensteentijd kwamen twee aardewerkscherven aan het licht die afkomstig waren van de eerste landbouwers in Haspengouw. Dat bewijst dat de jagers-verzamelaars uit de Kempen omstreeks 5000 voor Christus al contact hadden met boerengemeenschappen uit het zuiden.
Zelf gingen de mensen in Kattenbos pas veel later aan landbouw doen. Onderzoek van oude veenlagen wees uit dat de eerste boeren er ongeveer 4.000 jaar geleden actief werden. Bomen werden gekapt om ruimte te maken voor akkers en weiden. Door begrazing en het afplaggen van de bodem ontstonden uiteindelijk de uitgestrekte heidegebieden die zo kenmerkend werden voor de Kempen.
De heide is dan ook geen volledig natuurlijk landschap, maar het resultaat van eeuwenlang menselijk gebruik. Elk gehucht beschikte vroeger over een eigen heidegebied. Er werden schapen geweid, bijenkorven geplaatst en plaggen gestoken voor de potstal, als brandstof of om de akkers te bemesten. Zonder geregeld beheer zou de heide opnieuw dichtgroeien tot bos.
Langs de Einderheide werd zichtbaar hoe oude wegen en wallen de grenzen tussen verschillende gebruiksgebieden markeerden. De Vosvijverdijk vormde eeuwenlang de westelijke rand van het Kattenbosser landbouwgebied en staat al aangeduid op een kaart uit 1786. De naam verwijst vermoedelijk naar een oude visvijver. Zulke kunstmatig aangelegde plassen werden in de middeleeuwen gebruikt om vis te kweken.
Ook de Tusdijk vertelde een eigen verhaal. ‘Tus’ verwijst naar een vorm van veen die in de natte laagte ontstond uit plantenresten. In een tijd waarin nauwelijks bomen overbleven, werd zelfs dat veen uitgegraven, gedroogd en als brandstof gebruikt.
Tussen al die eeuwenoude sporen wees Ferdi Geerts ook op jongere overblijfselen. Betonnen constructies in het bos zijn geen bunkers uit de Tweede Wereldoorlog, maar resten van een project voor grondwaterwinning uit de jaren zestig. Andere paaltjes markeerden dan weer de grens van het vroegere terrein van PRB, waar munitie werd opgeslagen in kleine, verspreide bunkers.
Zo bracht de Erfgoedwandeling heel uiteenlopende periodes samen. Wat voor een toevallige voorbijganger slechts een zandweg, een wal, een beek of een stuk heide lijkt, bleek telkens opnieuw een tastbaar spoor van vroegere bewoners. Van de eerste jagers-verzamelaars en de middeleeuwse boeren tot molenaars, bosarbeiders en de vroegere industrie: allemaal lieten ze hun afdruk achter in het landschap van Kattenbos.
Reactie plaatsen
Reacties